Datum: 21 November 2021
Aanvang: 14.30 uur (deuren van de zaal gaan om 14.00 uur open)
Locatie: De Schutse, Uithoorn

 

PROGRAMMA (zonder pauze!)

* Goldbergvariaties BWV 988 – Johann Sebastian Bach: Aria en Variaties 1 tot en met 15

* Gedanken zu Bach – Daan Manneke

I.         Lontano unisono
II.         Toccata primo
III.        Aria-Ayre (Ach wie flüchtig, ach wie nichtig/Flow my tears)
IV. Intermezzo sospeso
V. Evocazione BWV 854 (Berceuse)
VI. Toccata secundo

* Goldbergvariaties BWV 988 – Johann Sebastian Bach:
Variaties 16 tot en met 30 en Aria

GOLDBERGVARIATIES (Bron: Preludium 18 maart 2020 – Floris Don

Kent u die mop van de graaf die leed aan insomnia en Bach om wat slaapmuziek verzocht, waarop deze de razend virtuoze Goldberg-variaties componeerde? De beroemde anekdote is overgeleverd door Johann Nikolaus Forkel, die in 1802 de allereerste monografie van Johann Sebastian Bach uitbracht.

Forkel schrijft uitvoerig over Hermann Carl, Rijksgraaf van Keyserlingk, die een jonge huismusicus in dienst had met de naam Johann Gottlieb Goldberg. De graaf ‘kränkelte viel und hatte dann schlaflose Nächte’. Toen Bach op visite kwam, opperde de graaf ‘dass er gern einige Clavierstücke für seinen Goldberg haben möchte, die so sanften und etwas muntern Charakters wären, dass er dadurch in seinen schlaflosen Nächten ein wenig aufgeheitert werden könnte’.

Johann Sebastian Bach: pastel uit de collectie van Manfred Gorke

Forkel heeft deze aantrekkelijke anekdote wellicht van een van de Bach-zonen gehoord. Maar er lijkt sprake van fake news. Bach bezocht de graaf in Dresden feitelijk in 1741, maar de klavecinist Goldberg kon op dat moment niet ouder zijn dan een jaar of dertien en dat lijkt toch niet de leeftijd waarop je deze zeer moeilijke variaties in de vingers krijgt.

Bovendien vermelden Bachs manuscript noch latere kopieën een opdracht aan de graaf, en is de originele titel ‘Clavier Ubung bestehend in einer Aria mit verschiedenen Veraenderungen vors Clavicimbal mit 2 Manualen’. Waar Bach voor de zekerheid wel de ondertitel aan toevoegt: ‘vervaardigd voor de gemoedsverbetering (‘Gemützergeizung’) van de muziekliefhebber’.

Aannemelijker is dat Bach de muziek rond 1740 schreef voor zijn begaafde zoon Wilhelm Friedemann (dan dertig jaar oud) en bij zijn visite een jaar later een exemplaar cadeau deed aan de graaf. Echt inslapen lukt sowieso niet bij deze muziek, die weliswaar inderdaad een veelal ‘monter karakter’ heeft maar door zijn vele up tempo varia­ties toch niet per se als ‘sanft’ omschreven kan worden. 

Het Goldberg-patroon

Nu bekt Goldberg-variaties wel lekkerder dan de originele lange titel, die bovendien óók licht verwarrend is. Bach schreef namelijk geen dertig variaties op een aria, maar om precies te zijn variaties op de bas en het harmonische patroon in G groot dat aan deze beroemde aria ten grondslag ligt. De elegante melodie van de aria zelf wordt nergens gevarieerd (zoals bijvoorbeeld Beethoven dat wel deed met het hoofdthema van zijn Diabelli-variaties). Je zou zelfs verder kunnen gaan en stellen dat de aria zélf ook een variatie is op het harmonische verloop, dat als een bijna onzichtbare hand het complete bouwwerk aanstuurt.

Dat ‘Goldberg-patroon’ lijkt op een ­passacaglia of chaconne: de eerste acht noten vormen een dalende lijn naar logische harmonische verbanden, zeer vergelijkbaar met menig herhalend baspatroon uit de Barok, bijvoorbeeld Händels Chaconne uit zijn Suite in G groot. Toch is van een echte passacaglia geen sprake. In dat muziekgenre wordt het steeds herhalende basloopje expliciet geïntroduceerd, in de aria blijft het doorgaans verstopt in de harmonieën. 

Bouwwerk

Verbluffend is de overkoepelende architectuur van de dertig variaties. Je kunt ze opdelen in tien groepjes van drie, waarbij de eerste variatie van elke groep vaak naar een specifiek genre verwijst (ouverture, menuet, adagio etc.), de middelste variatie een virtuoos spel met gekruiste handen speelt, en elke derde variatie een tweestemmige canon blijkt.

Bach gaat nog verder door het interval van elke canon steeds met één stap te vergroten. Starten de twee stemmen van de eerste canon op dezelfde toon, bij de tweede canon (variatie 6 dus) begint de tweede stem een secunde hoger, bij de derde (variatie 9) een terts, enzovoort, tot de negende en laatste canon liefst een none uit elkaar ligt – de tiende canon in het tiende groepje ontbreekt, waarover straks meer.

Maar hoe inventief ook, de luisteraar wordt nooit met de neus op deze feiten gedrukt. Doordat Bach aan elke canon een derde begeleidende stem in de bas toevoegt, wordt het strikte principe van twee imiterende stemmen verhuld en worden schoolse demonstraties van contrapunt vermeden.

Het emotionele hart

Wie toch houvast wil hebben bij het beluisteren van dit werk van ruim een uur, wordt door Bach wel degelijk op sleutelmomenten geholpen. Precies in het midden bijvoorbeeld, variatie 16, componeert Bach een ouverture in de Franse stijl, inclusief kenmerkend gepuncteerd ritme, gevolgd door een snelle fuga met een stevig slot.

Zo’n krachtig statement zal pas weer volgen in de laatste variatie. De uitvoerder van de Goldberg-­variaties kan bij zo’n structuur aldus kiezen uit twee benaderingen: vormt deze Franse Ouverture als middelpunt ook het hoogtepunt van de cyclus, waartoe alle spanning wordt opgebouwd en dan weer wegebt tot de terugkeer van de aria helemaal aan het eind? Of wordt gekozen voor een lineaire aanpak, waarbij de intensiteit met name richting het einde wordt opgevoerd?

Voor die laatste interpretatie pleit dat Bach het emotionele hart van de variaties bij nummer 25 legt: een aangrijpend Adagio in g klein met een lengte die de andere variaties verre overtreft. Ook hier ligt uiteraard het Goldberg-patroon aan ten grondslag, maar omdat Bach die noten nog met chromatische tussenstapjes aanvult krijgt het doorgaans pure karakter van het werk hier een schrijnende variant.

Kool en rapen

Bach schudt de mineurstemming in de daaropvolgende deeltjes snel van zich af. Hoogtepunt van vrolijkheid vormt variatie 30, het ‘quodlibet’ oftewel een potpourri, dat in de plaats van een tiende canon komt. Hier lijkt de hermetische structuur te worden opengebroken: niet alleen schrijft Bach zowaar voor het eerst een opmaat voor, hij citeert bovendien de populaire liedjes Kraut und Rüben haben mich vertrieben en Ich bin so lang nicht bei dir gewest.

Dit is Bach op z’n meest humoristisch: biograaf Forkel noteerde de traditie van de familie Bach om bij reünies te improviseren op koralen met devoot en meer humoristisch karakter. Het vierstemmige ‘quodlibet’ lijkt precies zo’n koraalimprovisatie, waarbij het ‘Kraut und Rüben’ (kool en rapen, oftewel: rommel, alles door elkaar) bij wijze van zelfspot zou kunnen slaan op de vele ­variaties die de luisteraar hebben verdreven van die zoete aria.  De melodie lijkt op die van diverse kinderliedjes die we in Nederland kennen (‘Zagen, zagen, wiedewiedewagen’; ‘Sinterklaasje, bonne bonne bonne’).

En natuurlijk is de betekenis van ‘Ik ben zo lang niet bij jou geweest’ dan ook duidelijk, want inderdaad: daar keert de aria terug in volle glorie, ‘da capo’, dus geen noot veranderd, maar toch omhuld door een geheel nieuw aura na de lange reis.

Hannes Minnaar speelt tussen variatie 15 en variatie 16 het werk ‘Gedanken zu Bach’

van Daan Manneke.

OMTRENT ‘GEDANKEN ZU BACH’

Op verzoek en in opdracht van de musicus Hannes Minnaar schreef ik deze pianocompositie.

Van meet af aan was er de intentie dat dit stuk een verbinding moest hebben met het werk van Johann Sebastian Bach.

Vervolgens kwam de connectie met meer bepaald Bachs Goldbergvariaties BWV 988 in beeld.

Tijdens dit componeertraject (2020) ‘regeerde’ op dramatische manier de wereldwijde corona-pandemie.

Deze gebeurtenis leidde mede tot de uiteindelijke compositie met de definitieve titel:

Gedanken zu Bach
Ach wie flüchtig, ach wie nichtig
AD 2020

 

Daan Manneke. Foto: Edwin Wiekens (AD)

 

Centraal in de compositie staat het Duitse kerklied Ach wie flüchtig, ach wie nichtig. Dit ernstige lied (tekst en melodie) werd in 1652 geschreven door de Duitse laat-renaissance (vroege barok) dichter-componist Michael Franck, 1609-1667. Europa werd decennia lang geteisterd door de verwoestende Dertigjarige Oorlog, beëindigd met de Vrede van Münster in 1648.

 

Bach gebruikt dit koraal van zijn landgenoot Michael Franck in zijn gelijknamige Kantate BWV 26. In het derde deel van mijn compositie, de Aria-Ayre, benut ik Bachs zetting van het slotkoraal – Ach wie flüchtig – uit deze Kantate.
Verder zijn onder meer in Gedanken zu Bach verre echo’s te horen van John Dowlands Ayre ‘Flow my tears’  en van Hans Leo Hassler ‘Mein G’müt ist mir verwirret’.
Dit oorspronkelijke wereldlijke lied is de bron geweest voor talrijke zeer geliefde hymnen en kerkliederen waaronder Herzlich tut mich verlangen en O Haupt voll Blut und Wunden.

Hoewel de compositie uit zes (korte) delen bestaat, heeft het werk toch de intentie van één doorgaande organische ‘Fantasia’.

Van harte draag ik deze compositie op aan Hannes Minnaar.

Daan Manneke, 2020

Ach wie flüchtig, ach wie nichtig ist der Menschen Leben!
Wie ein Nebel bald entstehet und auchwieder bald vergehet
so ist unser Leben sehet.

Ach wie flüchtig, ach wie nichtig sind der Menschen Sachen!
Alles, Alles was wir sehen, das muss fallen und vergehen,
wer Gott fürcht wird ewig stehen. 

 

BIOGRAFIE HANNES MINNAAR (Seizoen 2020-2021)

In 2019 trad Hannes Minnaar op in het 33e seizoen van de gerenommeerde Serie Meesterpianisten. Het seriedebuut in het Concertgebouw Amsterdam ontlokte aan NRC de kop “Minnaar bewijst thuis te horen tussen de Meesterpianisten”.

Dit seizoen maakt Minnaar bij de San Jose Steinway Society zijn Noord-Amerikaans recitaldebuut. Onderdeel van het programma is “Nox”, een nieuwe compositie van landgenoot Robert Zuidam. Samen met werken van Schumann en Ravel wordt dit in de herfst tevens op cd uitgebracht (Challenge Classics). Het seizoen omvat verder Minnaars recitaldebuut in het Verenigd Koninkrijk, in de Nottingham Theatre Royal’s Sunday Piano Series. Als solist treedt hij op met de Malaysian Philharmonic en dirigent Kees Bakels, het Residentie Orkest met Anja Bihlmaier in het Concertgebouw Amsterdam, en gaat hij op tournee met het Symfonieorkest Vlaanderen en dirigent David Reiland.

Zijn betrokkenheid bij de ontwikkeling van jonge musici en luisteraars maakt hem onderdeel van de ‘Personal Note’-serie in het Concertgebouw en de ‘Open je oren’-serie in Muziekgebouw Amsterdam.

Als regelmatig terugkerende gast bij de Nederlandse orkesten soleerde Minnaar eerder bij het Koninklijk Concertgebouworkest,  het Nederlands Philharmonisch Orkest (in 2020 onder leiding van Valentin Uryupin) en philharmonie zuidnederland. Het Barcelona Symphony Orchestra met Jan Willem de Vriend, de Essener Philharmoniker met Daniele Rustioni, en het Ulster Orchestra met Jac van Steen waren recente concertpartners.

Hannes Minnaar. Foto: Simon van Boxtel

Direct na de coronavirus lockdown initieerde Hannes Minnaar in juli 2020 een recitaltournee langs monumentale stadskerken in Nederland. Op het programma stonden Bachs Goldbergvariaties, voorafgegaan door het speciaal voor de gelegenheid gecomponeerde “Gedanken zu Bach” van de Nederlandse componist Daan Manneke. In de serie ‘Empty Concertgebouw Sessions’ bracht Minnaar samen met het Dudok Kwartet en altvioliste Simone van der Giessen Beethovens Vierde Pianoconcert. De pandemie verhinderde helaas vele geplande samenwerkingen, waaronder die met het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Hans Graf, een tournee door Duitsland, Italië en Nederland met het JeugdOrkest Nederland, en een multidisciplinair project rond Gogols Nevsky Prospekt op het Rotterdamse Gergiev Festival 2020. Het project, met pianowerken van Shostakovich, wordt in de festivaleditie 2021 alsnog gerealiseerd.

Naast bovenstaand genoemde dirigenten werkte Minnaar eerder samen met de betreurde Jirí Belohlávek, Herbert Blomstedt, Frans Brüggen, Hans Graf, Pablo González, Antony Hermus, Eliahu Inbal, Faycal Karoui, Antonello Manacorda, Alondra de la Parra, Jamie Phillips, Ed Spanjaard, Markus Stenz, Otto Tausk, Edo de Waart en Xian Zhang.

Het Van Baerle Trio (opgericht met violiste Maria Milstein en cellist Gideon den Herder in 2004) is voor Minnaar van wezenlijk belang. Het trio treedt op in heel Nederland en keert terug naar Parijs voor een concert in het Théâtre de la Ville, en naar het Casa da Música in Porto voor Beethovens Tripelconcert onder leiding van Michael Sanderling. Dit stuk completeert tevens hun opname van Beethovens complete werk voor pianotrio (Challenge Classics, 2020).

Hannes Minnaar trok wereldwijd aandacht als tweedeprijswinnaar bij het Concours de Genève 2008 en als derdeprijswinnaar bij de Koningin Elisabethwedstrijd 2010. Marin Alsop, die de finale dirigeerde, prees Minnaar als een ‘authentically gifted pianist’. Naast zijn studie bij Jan Wijn en Ferenc Rados, en masterclasses van Menahem Pressler, was de orgelstudie bij Jacques van Oortmerssen van bepalende invloed op zijn spel. Hannes Minnaar werdeen Borletti-Buitoni Trust Fellow in 2011. Het Van Baerle Trio was een van de Echo Rising Stars in seizoen 2013/14. In 2016 ontving Minnaar de Nederlandse Muziekprijs uit handen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Hannes Minnaar. Foto: Simon van Boxtel

De discografie van Hannes Minnaar ontving de hoogste lofbetuigingen. Zijn debuutalbum met werk van Ravel en Rachmaninoff won een Edison in 2012. International Record Review schreef “This is indeed an astonishing debut”, International Piano Magazine noemde het “Simply sensational”. Gramophone was tevens vol lof over zijn tweede album: “After Minnaar’s debut disc, this makes two hits in a row”. Over zijn derde CD, met werk van Fauré, schreef het blad: “Minnaar’s identification with this unique realm of music is complete and his deeply felt interpretations shine with clarity and infinite nuance.”

De opname van Beethovens complete pianoconcerten met het Orkest van het Oosten en Jan Willem de Vriend werd in het BBC Radio 3-programma Building a Library bestempeld tot de aanbevolen opname. Sir Nicholas Kenyon, directeur van Barbican in London besprak het Keizersconcert daarbij als volgt: “This has passion, drama, vital rhythms, transparency, and, more important: a total fusion between soloist and orchestra. It’s less a competition for power than a celebration of unity, with pianist and orchestra continually sparking off each other.”

Kaarten bestellen