NOA WILDSCHUT ( viool) EN ELISABETH BRAUSS (piano) – 10 MAART 2019

Werken van Schubert, Saint-Saëns en Franck

FRANZ SCHUBERT (1797-1828) – Sonate voor viool en piano in A, D574

  1. Allegro moderato
  2. Scherzo presto
  3. Andantino
  4. Allegro vivace

“Deze kwikzilverachtige sonate is een verbazingwekkend meesterwerk van een twintigjarige”, aldus cellist Pieter Wispelwey. Hij vervolgt: “De welsprekende ‘flow’ en opeenvolging van melodieën, thema’s en motieven zijn duidelijk het werk van ‘het genie van het lied’, die er ook geen moeite mee heeft om als scherzo een gekruid Presto en een finale vol vuur en vreugde te componeren.  Treffend is ook het regelmatig terugkeren van pianissimo passages in dit werk. Zo veel fluistering, zo veel intimiteit en geheimzinnigheid!”.

CAMILLE SAINT-SAËNS (1835-1921) – Introduction et Rondo Capriccioso, Opus 28

Saint-Saëns schreef dit heerlijke werk in 1863 voor de vioolvirtuoos Pablo de Sarasate. De Introduction bestaat uit een droevige zangerige melodie voor de viool begeleid door de piano. Het Rondo Capriccioso begint wanneer de violist een serie trillers speelt die worden gevolgd door de piano die stevig inzet. Vluchtig wordt er gespeeld, waarna er even een moment van rust in het werk komt. Deze afwisseling vormt het rondokarakter van het stuk, dat eindigt met een solo voor de violist die dubbele snaren afstrijkt, gevolgd door een kleine inzet van de piano, waarna de violist er nog eens een vluchtige passage bovenop doet. (Bron: Wikipedia)

PAUZE

CÉSAR FRANCK (1822-1890) –  Sonate voor viool en piano in A

  1. Allegretto ben moderato
  2. Allegro
  3. Recitativo – Fantasia
  4. Allegretto poco mosso

Deze lyrische sonate werd opgedragen als huwelijkscadeau aan violist Eugène Ysaÿe, wiens vertolkingen aanzienlijk hebben bijgedragen aan de erkenning van César Franck als een groot componist. De sonate kende haar eerste publieke uitvoering op 16 december 1886 in het Musée Moderne de Peinture in Brussel. De sonate was het laatste werk in een lang programma dat om drie uur ’s middags begonnen was. Toen het tijd was voor de sonate was de schemer reeds ingevallen, maar om de schilderijen te beschermen verbood de museumdirectie het gebruik van kunstlicht. Het leek erop dat de uitvoering niet door zou gaan en het publiek werd al bijna weggestuurd, maar Ysaÿe besloot toch te spelen. Boven het openingsdeel zou aanvankelijk Andante of Adagio gestaan hebben , maar Ysaÿe wilde opschieten om de duisternis voor te zijn. Hij spoorde de pianiste aan door – “Allons, allons” roepend – met zijn strijkstok tegen de lessenaar te tikken. Het hogere tempo zou Franck zo goed zijn bevallen, dat hij de aanduiding later veranderde in Allegretto. De laatste drie delen werden in vrijwel complete duisternis uit het hoofd uitgevoerd. Het werk staat bekend om zijn relatief lastige pianopartij. Piano-technische moeilijkheden zijn onder andere de zeer grote akkoorden – de componist had zelf zeer grote handen – en de virtuoze passages in met name het tweede deel. Franck schreef het vierdelige werk in de sonatevorm volgens de vroege vormtraditie (langzaam – snel – langzaam – snel). Het idioom is laatromantisch. Hoewel de delen niet doorgecomponeerd zijn, zitten in elk deel thematisch herkenbare elementen en motieven uit de andere delen verwerkt volgens het door Franck ontwikkelde ‘cyclisch principe’. (Bron: Wikipedia)

CAMILLE SAINT-SAËNS – Danse macabre, Opus 40

Het muziekstuk is gebaseerd op het gelijknamige, hieronder in het Nederlands vertaalde, gedicht van Henri Cazalis (1840-1909). ‘Danse Macabre’ staat voor ‘dodendans’. Opvallend in deze compositie (althans in de orkestversie) is het gebruik van de xylofoon, een instrument dat de indruk wekt alsof de muziek wordt uitgevoerd op menselijke schedels. De compositie opent met twaalf middernachtelijke klokslagen. De opmaat introduceert de Dood die de gestorvenen uit hun graven wekt. De dood opent zijn vioolpartituur met een melodie in een verminderde kwint, ook wel ‘duivelsinterval’ genoemd (G-D-A-Es in plaats van de reguliere vioolstemming G-D-A-E).

Via een thematische opbouw bereikt het stuk zijn maestoso: in de verbeelding komen meer en meer doden uit hun graven en beginnen met elkaar te dansen. De arme man danst met de rijke vrouw, de dood kent geen verschillen. Steeds voller en heftiger klinkt de melodie, alsof de skeletten door de wind worden opgejaagd, in het besef dat ze voor zonsopkomst teruggekeerd moeten zijn in hun graven. Wanneer uiteindelijk de haan kraait, is de dans abrupt voorbij en horen we de grafstenen weer dichtvallen. De dood blijft als laatste achter, zittend op een grafzerk, en speelt op zijn viool een afscheidsmelodie. (Bron: Wikipedia)

De Dodendans

Heen en weer, de Dood is in beweging,
raakt een graf met zijn hiel,
de Dood speelt te middernacht een dansdeuntje,
heen en weer op zijn viool.

De winterwind fluistert en somber is de nacht,
het gejammer betovert de lindebomen;
de witte skeletten schijnen dwars door de schaduw heen,
de luchtstroom danst onder hun grote lijkwaden.

Heen en weer, iedereen is in de weer.
Je hoort het kloppen van de botten van de dansers,
een wulps stel zit op het mos
alsof ze genieten van voorbije genoegens.

Heen en weer, de dood gaat voort
krassend op zijn schelle instrument.
Een gordijn schuift opzij: de danseres is naakt!
Haar danspartner omhelst haar liefdevol.

De dame is, zegt men, markiezin of barones,
en de groene minnaar een arme wagenmaker.
Jakkes! Zie hoe zij zich overgeeft
alsof de lomperd een baron was!

Heen en weer, wat een Sarabande!
Cirkels van doden geven elkaar een hand.
Heen en weer, in de bende zie je
de koning huppelen bij een boer.

Maar Ssst! Plotseling stopt de rondedans,
ze haasten, ze vluchten, de haan heeft gekraaid.
O, de prachtige nacht voor de arme zielen!
En leve de dood en de gelijkheid!

BIOGRAFIE NOA WILDSCHUT

‘Een wonder van muzikaliteit, origineel, spontaan, altijd vrij’ (Süddeutsche Zeitung). Toen ze nog maar net zeventien jaar oud was, veroverde de Nederlandse violiste Noa Wildschut een plaats op de internationale podia van de klassieke muziek. Op zesjarige leeftijd speelde ze live op de Nederlandse televisie tijdens het Kinderprinsengrachtconcert 2007 in Amsterdam, op zevenjarige leeftijd maakte ze haar debuut in de Grote Zaal van het Concertgebouw te Amsterdam tijdens de ‘Night of the Promising’. In september 2016 tekende zij een platencontract bij Warner Classics. Haar eerste CD met werken van Mozart verscheen in september 2017. Noa is benoemd tot ‘Rising Star’ door de Europese Concertgebouw Organisatie voor het seizoen 2019-2020 en zal in alle belangrijke Europese zalen recitals geven.

Hoogtepunten van het seizoen 2018-2019 zijn haar debuut met het Gürzenich Orchester, het Royal Liverpool Philharmonic Orchestra en de Dresdner Philharmonie. Verder is ze op tournee met pianiste Elisabeth Brauss met recitals in het Amsterdamse Concertgebouw, het Palais des Beaux-Arts in Brussel en de Philharmonie Essen. In 2019 treedt ze op tijdens het Rheingau Musik Festival met Camerata Salzburg en tijdens het Mozartfest Würzburg. Samen met pianist Igor Levit speelt ze tijdens de Heidelberger Frühling. Recente hoogtepunten waren verder haar debuutoptredens met het Pittsburgh Symphony Orchestra (met dirigent Manfred Honeck), het Radio Philharmonisch Orkest en met de Philharmonie Zuid-Nederland. Ook trad ze op in de Robeco Summer Nights 2018 in het Concertgebouw te Amsterdam. Komende zomer is ze weer van de partij in de Bankgiroloterij Zomerconcerten 2019: dan speelt ze het derde vioolconcert van Saint-Saëns.

Al op jonge leeftijd heeft Noa vele prijzen gewonnen, zoals de eerste prijs van de internationale vioolcompetitie Louis Spohr in Weimar, de eerste prijs van de Jordens vioolcompetitie in Den Haag en de Concertgebouw Prijs voor Jong Talent 2013. Ze heeft masterclasses gevolgd bij Jaap van Zweden, Menahem Pressler, Frank Peter Zimmerman, Anner Bijlsma en Liviu Prunaru. Sinds 2015 heeft zij een officieel stipendium van het Anne-Sophie Mutter Fonds – als jongste musicus ooit.

In 2018 was Noa curator van de serie ‘Noa’s Choice’ tijdens het Oranjewoud Festival, dat bekend staat om zijn creatieve programmering. Zij bespeelt een Giovanni Grancino viool uit 1714, beschikbaar gesteld door het Nederlands Instrumenten Fonds. De strijkstok is speciaal voor haar gemaakt door Benoît Rolland. Noa Wildschut studeert bij Antje Weithaas aan de Hochschule für Musik Hans Eisler in Berlijn.

Noa Wildschut. Foto: Marco Borggreve

BIOGRAFIE ELISABETH BRAUSS

In de Volkskrant van 18 augustus 2017 schrijft recensent Merlijn Kerkhof over de eerste CD van Elisabeth Brauss (bij het label Oehms Classics): “En weer is daar een gigantisch pianotalent. Ze komt uit Hannover, waar ze vanaf haar zesde lessen volgde bij Elena Levit, de moeder van Igor Levit, één van de interessantste jonge pianisten van deze tijd. Brauss is 22 en op haar eerste album, dat ze maar ‘Debut’ heeft genoemd, durft ze het aan Beethovens zevende pianosonate te koppelen aan de tweede van Prokofjev èn de Marche funèbre van Chopin. Ze slaagt voor alle drie de tests. Brauss toont een verbluffend goed gevoel voor opbouw in Beethoven en lijkt te genieten van de krasse ritmes van Prokofjev. Van een glimmend opgepoetste pianoklank houdt ze zich verre; haar verhaal is al helder genoeg”. Ook in het gerenommeerde klassieke vakblad Gramophone kreeg zij de hoogste lof voor haar spel.

Zij heeft al opgetreden met orkesten als de Macao Youth Symphony Orchestra, de NDR Radiophilharmonie en de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen. Op de podia van Berlijn, Hamburg, Sint Petersburg en Bonn is zij een graag geziene gast, evenals op festivals zoals de Heidelberger Frühling en het Schleswig-Holstein Musik Festival. Internationale concerttournees hebben haar gebracht in China, de Verenigde Staten, Noorwegen, Oekraïne en Japan. Net als Noa Wildschut heeft zij vele prijzen op haar naam staan, o.a. in 2015 de competitie ‘Ton und Erklärung’ in

Frankfurt en in 2016 de ‘Kissinger KlavierOlymp’ in Bad Kissingen.

Elisabeth Brauss